productvaardigheden

    sociale vaardigheden

    persoonsvormende vaardigheden

    Overzicht creëren


    Met de vaardigheid Overzicht creëren laat je zien dat je op een methodische manier voldoende relevante informatie kunt verzamelen voor je project of onderzoek.

    Om te bepalen welke informatie relevant is en wanneer je voldoende informatie hebt om te kunnen ontwerpen, ontwikkelen of onderzoeken, stel je gerichte vragen. Dat vraagt om overzicht van de vraagstukken die spelen binnen het vakgebied waarin je werkt, zowel in de praktijk als in de theorie.

    Een belangrijk onderdeel hiervan is het vinden van een goede balans in grondigheid. Je zorgt dat je onderzoek methodologisch zorgvuldig is én voldoende praktisch relevant om onderbouwde keuzes te maken.


    Niveau 1

    Taakgericht overzicht creëren

    Je formuleert onderzoeksvragen die duidelijk maken wat nodig is om jouw taak uit te voeren. Je plaatst de onderzoeksvraag in de context van je opdracht.

    Je verzamelt voldoende relevante informatie op een manier die past bij jouw onderzoeksvraag. Je verwerkt de informatie overzichtelijk.

    Je neemt bij het onderzoeken ten minste één van de 5 essentiële waarden voor de ICT-sector* mee.

    Je vertaalt de verzamelde informatie naar onderbouwde vereisten.

    *Het instituut IICT heeft gekozen om volgende essentiële waarden mee te nemen in het onderwijs: duurzame energie, toegankelijkheid en inclusie, verantwoorde hardware, privacy, en security.

    Niveau 2

    Probleemgericht overzicht creëren

    Je formuleert onderzoeksvragen die bijdragen aan het ontwikkelen van het product en verkrijgt hiervoor informatie op methodische wijze.

    Je kiest daarbij voor toepasselijke onderzoeksmethoden en voert deze vakkundig uit.

    Je betrekt de waarden van directe stakeholders. Hierbij neem je in ieder geval 3 van de 5 essentiële waarden voor de ICT-sector* mee. Je houdt rekening met schaalbaarheid en onderhoudbaarheid.

    Je gebruikt de verzamelde informatie om vereisten te formuleren en onderbouwt dat de gebruikte mate van grondigheid passend is voor het probleem.

    *Het instituut IICT heeft gekozen om volgende essentiële waarden mee te nemen in het onderwijs: duurzame energie, toegankelijkheid en inclusie, verantwoorde hardware, privacy, en security.

    Niveau 3

    Situatiegericht overzicht creëren

    Je formuleert onderzoeksvragen die bijdragen aan het ontwikkelen van het product en verkrijgt hiervoor informatie op methodische wijze.

    Je kiest bewust meerdere onderzoeksmethoden en onderbouwt waarom de combinatie passend is voor de situatie. Je voert ze vakkundig uit.

    Je betrekt de waarden van directe en indirecte stakeholders. Hierbij neem je de 5 essentiële waarden voor de ICT-sector* mee. Je houdt rekening met schaalbaarheid en onderhoudbaarheid.

    Je vertaalt de verzamelde informatie naar onderbouwde vereisten. Je onderbouwt dat de gebruikte mate van grondigheid passend is voor de situatie.

    *Het instituut IICT heeft gekozen om volgende essentiële waarden mee te nemen in het onderwijs: duurzame energie, toegankelijkheid en inclusie, verantwoorde hardware, privacy, en security.

    Niveau 4

    Professiegericht overzicht creëren

    Je formuleert onderzoeksvragen die bijdragen aan het ontwikkelen van het product en verkrijgt hiervoor informatie op methodische wijze.

    Je kiest bewust kwalitatieve en kwantitatieve onderzoeksmethoden en onderbouwt waarom de combinatie passend is voor de situatie. Je voert ze vakkundig uit.

    Je neemt waarden van directe en indirecte stakeholders mee. Je betrekt wetenschappelijke standaarden, maatschappelijke ontwikkelingen en organisatiedoelen. Je houdt bewust rekening met de essentiële waarden van de sector(en).

    Je vertaalt de verzamelde informatie naar onderbouwde vereisten. Je onderbouwt dat de gebruikte mate van grondigheid passend is voor de situatie.

    Extra context Niveau 1

    Je opdracht: je project, je taak.

    Vereisten: je formuleert dus vereisten voor het product op basis van de resultaten van je onderzoek. Vereisten kunnen zijn: selectiecriteria, of acceptatie- en kwaliteitscriteria.

    Bij Open-ICT gebruiken we User Stories. User stories hebben acceptatie- en kwaliteitscriteria. Acceptatiecriteria bepalen wanneer een gebruiker het product accepteert. Kwaliteitscriteria komen uit het beroepenveld, daarbij vermeld je altijd de bron. Over User Stories staat meer uitleg op Canvas.

    5 essentiële waarden voor de ICT sector:

    Een toelichting staat op Canvas. In deze handreiking vind je meer informatie voor het werken hiermee.

    Extra context Niveau 2

    Tips: Gebruik de toolkit op ICT Research Methods voor kiezen en uitvoeren van toepasselijke onderzoeksmethoden.

    Gebruik research stories met research tasks. Hierover staat meer uitleg op Canvas.

    5 essentiële waarden voor de ICT sector:

    Een toelichting staat op Canvas. In deze handreiking vind je meer informatie voor het werken hiermee.

    Extra context Niveau 3

    Tip: gebruik de toolkit op ICT Research Methods voor kiezen en uitvoeren van toepasselijke onderzoeksmethoden.

    Extra context Niveau 4

    Verschillende onderzoeksmethoden: je kiest dus meerdere onderzoeksmethoden. Zo kun je triangulatie toepassen.

    5 essentiële waarden voor de ICT sector:

    Een toelichting staat op Canvas. In deze handreiking vind je meer informatie voor het werken hiermee.

    Kritisch oordelen


    Met de vaardigheid kritisch oordelen laat je zien welke keuzes je maakt binnen je project of onderzoek en hoe je deze onderbouwt. Je vormt een eigen, onderbouwd oordeel op basis van de informatie die je hebt verzameld.

    Kritisch oordelen betekent ook dat je onderzoeksmethoden zorgvuldig uitvoert en op basis daarvan valide conclusies trekt uit de verkregen resultaten. Je kijkt kritisch naar de verkregen resultaten en beoordeelt of deze representatief zijn.

    Daarnaast evalueer je het uitgevoerde onderzoek en de praktijkoplossing die je hebt ontwikkeld. Je onderzoekt of wat je hebt ontwikkeld aansluit bij de doelgroep en kunt aangeven welke kennis of inzichten dit oplevert voor het vakgebied en in hoeverre deze ook in andere contexten van betekenis zijn.


    Niveau 1

    Taakgericht kritisch oordelen

    Je vat verkregen informatie samen en koppelt deze aan de vraag.

    Je interpreteert de resultaten en betrekt daarbij de inzichten en standpunten van anderen.

    Je weegt af hoe belangrijk de vooraf opgestelde vereisten zijn. Je waardeert op basis hiervan de resultaten.

    Je trekt hieruit onderbouwde conclusies.

    Niveau 2

    Probleemgericht kritisch oordelen

    Je verkrijgt en verwerkt informatie op methodische wijze en trekt onderbouwde conclusies op basis van vooraf opgestelde vereisten. Daarbij bekijk je kritisch de gangbare normen, praktijken en opvattingen.

    Je kiest toepasselijke onderzoeksmethoden en voert deze vakkundig uit. Je onderbouwt dat de mate van grondigheid passend is voor het probleem.

    Niveau 3

    Situatiegericht kritisch oordelen

    Je onderzoekt onderliggende aannames en verheldert de vraag achter de vraag.

    Je verkrijgt en verwerkt informatie op methodische wijze en trekt onderbouwde conclusies op basis van vooraf opgestelde vereisten. Daarbij daag je gangbare normen, praktijken en opvattingen uit.

    Je kiest voor toepasselijke onderzoeksmethoden en voert deze vakkundig uit. Je onderbouwt dat de mate van grondigheid passend is voor de situatie.

    Niveau 4

    Professiegericht kritisch oordelen

    Je onderzoekt onderliggende aannames en verheldert de vraag achter de vraag.

    Je verkrijgt en verwerkt informatie op methodische wijze en trekt, op basis van vooraf opgestelde vereisten, onderbouwde conclusies. Daarmee draag je bij aan het vormen van nieuwe normen, praktijken en inzichten.

    Je gebruikt verschillende kwantitatieve en kwalitatieve onderzoeksmethoden en voert deze vakkundig uit.

    Je laat zien hoe je conclusies bijdragen aan nieuwe inzichten voor het beroepenveld. Je evalueert kritisch in hoeverre de resultaten overdraagbaar zijn naar andere situaties en beoordeelt de mate van grondigheid en de methodologische kwaliteit van het uitgevoerde onderzoek.

    Extra context Niveau 2

    Tip: gebruik de toolkit op ICT Research Methods voor kiezen en uitvoeren van toepasselijke onderzoeksmethoden.

    Extra context Niveau 3

    Tip: gebruik de toolkit op ICT Research Methods voor kiezen en uitvoeren van toepasselijke onderzoeksmethoden.

    Extra context Niveau 4

    Vakkundig uitvoeren van een onderzoeksmethode: denk hierbij aan hoe je werkt. Vakkundig onderzoeken houdt bijvoorbeeld in: wees objectief en onafhankelijk, werk controleerbaar en toetsbaar. Andere zaken die van belang kunnen zijn binnen jouw onderzoekssituatie: herhaalbaarheid, nauwkeurigheid en generaliseerbaarheid.

    Juiste kennis ontwikkelen


    Met de vaardigheid Juiste kennis ontwikkelen laat je zien dat je bepaalt welke kennis nodig is om je taak, opdracht of project goed uit te voeren. Je ontwikkelt deze kennis doelgericht, past haar toe in je werk en maakt zichtbaar hoe zij bijdraagt aan een bruikbaar resultaat.

    Hoe verder je komt, hoe meer je verder kijkt dan de meest voor de hand liggende kennis. Je zoekt uit welke aanvullende of meer specifieke kennis relevant is en maakt daarin bewuste keuzes. Je gebruikt betrouwbare bronnen en verbindt inzichten uit verschillende kennisgebieden. Zo kun je onderbouwen hoe de opgedane kennis bijdraagt aan professioneel handelen en een bruikbaar resultaat.


    Niveau 1

    Taakgericht juiste kennis ontwikkelen

    Je bepaalt welke, voor jou nieuwe, kennis je moet opdoen om een product te kunnen maken of een taak goed uit te voeren. Hiermee zorg je voor afbakening. Je maakt een leerplan om deze kennis te ontwikkelen. Hiermee zorg je voor richting.

    Je verdiept je in relevante begrippen, voorbeelden, modellen en methoden. Je werkt met betrouwbare bronnen. Je gaat door totdat je klaar bent om het product te maken of de taak uit te voeren.

    Je past de kennis toe in je werk om tot een bruikbaar resultaat te komen.

    Je laat zien dat je je deze kennis eigen hebt gemaakt.

    Niveau 2

    Probleemgericht juiste kennis ontwikkelen

    Je bepaalt welke gangbare kennis en technieken binnen je kennisgebied je moet leren om je opdracht te kunnen uitvoeren of je te bekwamen in jouw beroepsrol. Je stelt voor het verkrijgen hiervan leerdoelen en een leerplan op.

    Je onderbouwt welke bronnen voor het leren zijn gebruikt, dat je je deze kennis eigen hebt gemaakt en hoe je de opgedane kennis hebt toegepast om tot een bruikbaar resultaat te komen. Je laat zien hoe deze kennis bijdraagt aan het oplossen van een probleem.

    Je werkt met betrouwbare bronnen en laat zien dat je rond je onderwerp meerdere perspectieven afweegt in beschikbare informatie.

    Je laat zien dat je je deze kennis eigen hebt gemaakt en zodanig beheerst dat je het kan uitleggen aan experts.

    Niveau 3

    Situatiegericht juiste kennis ontwikkelen

    Je bepaalt welke complexe kennis en technieken binnen je kennisgebied je moet leren om je opdracht te kunnen uitvoeren of je te bekwamen in jouw beroepsrol. Je stelt voor het verkrijgen hiervan leerdoelen en een leerplan op.

    Je onderbouwt welke bronnen voor het leren zijn gebruikt, dat je je deze kennis eigen hebt gemaakt en hoe je de opgedane kennis hebt toegepast om tot een bruikbaar resultaat te komen. Je laat zien hoe de verschillende kennis en technieken in onderlinge samenhang bijdragen aan het uitvoeren van het project.

    Je kiest gezaghebbende bronnen uit de beroepspraktijk. En laat zien dat je rond je onderwerp meerdere perspectieven afweegt in beschikbare informatie.

    Je laat zien dat je je deze kennis eigen hebt gemaakt en zodanig beheerst dat je het kan uitleggen aan experts.

    Niveau 4

    Professiegericht juiste kennis ontwikkelen

    Je bepaalt welke complexe kennis en technieken uit meerdere kennisgebieden je moet leren om je opdracht te kunnen uitvoeren of je te bekwamen in jouw beroepsrol. Je stelt voor het verkrijgen hiervan leerdoelen en een leerplan op.

    Je onderbouwt welke bronnen voor het leren zijn gebruikt en hoe je de opgedane kennis hebt toegepast om tot een bruikbaar resultaat te komen. Je laat zien hoe de verschillende kennis en technieken in onderlinge samenhang bijdragen aan het uitvoeren van het project.

    Je kiest betrouwbare bronnen van wetenschappelijk niveau, of onderbouwt helder waarom andere bronnen het juiste gezag en niveau hebben binnen het gekozen kennisdomein. Je laat zien dat je rond je onderwerp meerdere perspectieven afweegt in beschikbare informatie.

    Je laat zien dat je de opgedane kennis eigen hebt gemaakt en zodanig beheerst dat je deze kunt uitleggen aan experts én kunt verantwoorden richting externe betrokkenen.

    Extra context Niveau 1

    Een leerdoel is iets dat je moet leren om een taak uit te kunnen voeren. Deze is specifiek geformuleerd. In je leerplan beschrijf je de stappen die je gaat zetten om je leerdoel te halen. Je kan hier het onderwerp opdelen in kleine stukjes, of verschillende leermethodes omschrijven (video kijken, opdracht maken, etc.). Meer info op Canvas.

    In je leerplan kan je vooraf je bronnen zetten. Betrouwbare bronnen kunnen zijn:

    1. Bronnen van een software- of hardwareleverancier
    2. Wetenschappelijke bronnen
    3. Standaarden, zoals ISO, NEN, RFC.
    4. Diverse artikelen die over hetzelfde onderwerp gaan.

    Er zijn verschillende manieren om te laten zien dat je de kennis écht eigen hebt gemaakt. Schrijf bijvoorbeeld een document waarin je de onderwerpen/concepten uitlegt, maak een uitlegvideo, geef een presentatie. Zo heeft een ander er ook wat aan!

    Voeg ook altijd je product toe om te laten zien dat je je kennis hebt toegepast.

    Extra context Niveau 2

    Een leerdoel is iets dat je moet leren om een taak uit te kunnen voeren. Deze is specifiek geformuleerd. In je leerplan beschrijf je de stappen die je gaat zetten om je leerdoel te halen. Je kan hier het onderwerp opdelen in kleine stukjes, of verschillende leermethodes omschrijven (video kijken, opdracht maken, etc.). Meer info op Canvas.

    In je leerplan kan je vooraf je bronnen zetten. Betrouwbare bronnen kunnen zijn:

    1. Bronnen van een software of hardware leverancier
    2. Wetenschappelijk bronnen
    3. Standaarden, zoals ISO, NEN, RFC.
    4. Diverse artikelen die over hetzelfde onderwerp gaan.

    Tip: je kan binnen je gilde op zoek gaan naar voor jou relevante kennis en jouw kennis daar ook delen.

    Extra context Niveau 3

    Gezaghebbende bronnen uit de beroepspraktijk: dit zijn betrouwbare bronnen die niet voor het onderwijs zijn ontwikkeld.

    Voorbeelden zijn: posts van professionals, vakblogs, podcasts, webinars, praktijkrapporten. Je moet uitspraak kunnen doen over de professionaliteit van de auteur.

    Kwalitatief product maken


    Met de vaardigheid kwalitatief product maken laat je zien dat je producten ontwikkelt die aansluiten bij de opdracht, voldoen aan de gestelde vereisten en passen binnen de beroepspraktijk. Je houdt rekening met de waarden en kwaliteitsverwachtingen die binnen het vakgebied belangrijk zijn.

    Naarmate de context complexer wordt, zorg je voor meer samenhang tussen producten, houd je rekening met meer kwaliteitsaspecten en maak je producten die ook voor anderen begrijpelijk, bruikbaar en overdraagbaar zijn.


    Niveau 1

    Taakgericht kwalitatief product maken

    Je maakt eenvoudige producten die passen bij de uitvoering van een ICT-beroepsopdracht op taakgericht niveau.

    Je gebruikt hiervoor opgestelde vereisten en toont aan hoe deze zijn toegepast in de producten.

    Je levert een verantwoord resultaat op, door minimaal één van de 5 essentiële waarden voor de ICT-sector* te integreren in je product.

    *Het instituut IICT heeft gekozen om volgende essentiële waarden mee te nemen in het onderwijs: duurzame energie, toegankelijkheid en inclusie, verantwoorde hardware, privacy, en security.

    Niveau 2

    Probleemgericht kwalitatief product maken

    Je laat zien vanuit een beroepsrol in staat te zijn om producten passend bij de uitvoering van een beroepsopdracht op probleemgericht niveau te maken.

    Je gebruikt opgestelde vereisten en toont aan hoe deze zijn toegepast in de producten. Je zorgt voor overdraagbaarheid.

    Je onderbouwt de gemaakte ontwerp- en ontwikkelkeuzes. Je draagt daarbij zorg voor de samenhang tussen enkele relevante beroepsproducten. Je houdt bewust rekening met in ieder geval 3 van de 5 essentiële waarden voor de ICT-sector.* Je voldoet aan vakinhoudelijke verwachtingen die bij dit type beroepsproduct horen. De producten zijn passend in relatie tot het probleem.

    *Het instituut IICT heeft gekozen om volgende essentiële waarden mee te nemen in het onderwijs: duurzame energie, toegankelijkheid en inclusie, verantwoorde hardware, privacy, en security.

    Niveau 3

    Situatiegericht kwalitatief product maken

    Je laat zien vanuit een beroepsrol in staat te zijn om producten passend bij de uitvoering van een beroepsopdracht op situatiegericht niveau te maken.

    Je gebruikt opgestelde vereisten en toont aan hoe deze zijn toegepast in de producten. Je zorgt voor overdraagbaarheid.

    Je onderbouwt de gemaakte ontwerp- en ontwikkelkeuzes. Je draagt daarbij zorg voor de samenhang tussen alle relevante beroepsproducten. Je houdt bewust rekening met de 5 essentiële waarden voor de ICT-sector.* Je voldoet aan vakinhoudelijke verwachtingen die bij dit type beroepsproduct horen. Je onderbouwt waarom het totaalresultaat coherent is en passend bij de situatie.

    *Het instituut IICT heeft gekozen om volgende essentiële waarden mee te nemen in het onderwijs: duurzame energie, toegankelijkheid en inclusie, verantwoorde hardware, privacy, en security.

    Niveau 4

    Professiegericht kwalitatief product maken

    Je laat zien vanuit een beroepsrol in staat te zijn om producten passend bij de uitvoering van een beroepsopdracht op professiegericht niveau te maken.

    Je draagt daarbij zorg voor de samenhang tussen alle relevante (beroeps)producten onderling.

    Je gebruikt opgestelde vereisten en toont aan hoe deze zijn toegepast in de producten. Je zorgt voor overdraagbaarheid.

    Je verantwoordt en onderbouwt de gemaakte ontwerp- en ontwikkelkeuzes. Je maakt gebruik van wetenschappelijke inzichten. Je draagt zorg voor de samenhang tussen alle relevante beroepsproducten. Je houdt bewust rekening met de essentiële waarden van de sector(en). Je voldoet aan vakinhoudelijke verwachtingen die bij dit type beroepsproduct horen.

    Het resultaat is onderbouwd, samenhangend, professioneel uitlegbaar en verdedigbaar vanuit zowel de beroepspraktijk als de wetenschap.

    Extra context Niveau 1

    Vereisten: bij Open-ICT maken we gebruik van User Stories met acceptatiecriteria en kwaliteitscriteria. Dit zijn de vereisten voor het product.

    Welke producten kun je maken?

    De beroepsrollen vind je via het menu links in LEF. Hier staan voorbeelden van producten bij die passen bij een ICT beroepsrol. Je hoeft niet één beroepsrol te kiezen. Je moet wel producten maken die passen bij deze beroepsrollen en die kwalitatief niveau 1-waardig zijn.

    Via het menu links vind je ook beroepstaken. De beroepstaken geven je houvast voor het bepalen van producten op het juiste niveau.

    Let op, je blijft met je team verantwoordelijk voor het gehele product. Een kwalitatief product maken betekent niet dat je je puur op één beroepsrol focussen.

    5 essentiële waarden voor de ICT sector:

    Een toelichting staat op Canvas. In deze handreiking vind je meer informatie voor het werken hiermee.

    Extra context Niveau 2

    Vereisten: bij Open-ICT maken we gebruik van User Stories met acceptatiecriteria en kwaliteitscriteria. Dit zijn de vereisten voor het product.

    Beroepsrol

    De beroepsrollen vind je via het menu links in LEF. Hier staan voorbeelden van producten bij die passen bij de ICT beroepsrol.

    Via het menu vind je ook beroepstaken. De beroepstaken geven je houvast voor het bepalen van producten op het juiste niveau.

    Let op, je blijft met je team verantwoordelijk voor het gehele product. Een kwalitatief product maken is niet je puur op één beroepsrol focussen.

    5 essentiële waarden voor de ICT sector:

    Een toelichting staat op Canvas. In deze handreiking vind je meer informatie voor het werken hiermee.

    Extra context Niveau 3

    Vereisten: bij Open-ICT maken we gebruik van User Stories met acceptatiecriteria en kwaliteitscriteria. Dit zijn de vereisten voor het product.

    Beroepsrol

    De beroepsrollen vind je via het menu links in LEF. Hier staan voorbeelden van producten bij die passen bij de ICT beroepsrol.

    Via het menu vind je ook beroepstaken. De beroepstaken geven je houvast voor het bepalen van producten op het juiste niveau.

    Let op, je blijft met je team verantwoordelijk voor het gehele product. Een kwalitatief product maken is niet je puur op één beroepsrol focussen.

    5 essentiële waarden voor de ICT sector:

    Een toelichting staat op Canvas. In deze handreiking vind je meer informatie voor het werken hiermee.

    Extra context Niveau 4

    Vereisten: bij de master HCAI maken we gebruik van User Stories met acceptatiecriteria en kwaliteitscriteria. Dit zijn de vereisten voor het product.

    De beroepsrollen voor HCAI vind je via het menu links in LEF. Je moet producten maken die passen bij deze beroepsrollen en die kwalitatief niveau 4-waardig zijn.

    Plannen


    Plannen begint met het bepalen van wat je wilt bereiken, waarom dat belangrijk is en voor wie. Het gaat om het bewust opdelen en organiseren van werk. Als professional maak je voortdurend keuzes over wat, wanneer en met wie. Je weegt daarbij doelen, capaciteiten en belangen af en past je plannen aan wanneer de situatie daarom vraagt.

    Goed plannen helpt je grip te houden op je werk, verwachtingen te managen en betrouwbaar samen te werken met anderen. Naarmate de context complexer en minder voorspelbaar wordt, laat plannen zien hoe jij omgaat met verantwoordelijkheid, hoe je afwegingen maakt en bijstuurt.

    Dat betekent niet dat plannen altijd vlekkeloos verloopt. Wel wordt van je verwacht dat je bewust keuzes maakt, gevolgen ervan herkent en plannen onderbouwd bijstelt.


    Niveau 1

    Plannen van eigen werk

    Je stelt het doel met je team en je eigen doelen vast. Je plant je eigen werkzaamheden om te realiseren wat voor jouw werk is afgesproken.

    Je gebruikt de afgesproken werkmethodiek bij het maken van de planning. Je houdt rekening met de werkzaamheden van je teamgenoten.

    Je prioriteert, verdeelt werk in haalbare taken en zorgt dat je goed gebruik maakt van je capaciteiten.

    Je volgt je planning en merkt op wanneer die niet realistisch blijkt of niet meer helpt om het doel te behalen. In dat geval pas je je planning aan. Als dit gevolgen heeft voor je team, bespreek je dit en zoek je naar passende oplossingen.

    Niveau 2

    Plannen afstemmen met anderen

    Je stelt met het team vast wat de bedoeling is van het gezamenlijke werk. Je plant je werkzaamheden vanuit het gezamenlijke doel.

    Je gebruikt de afgesproken werkmethodiek bij het maken van de planning. Je stemt je planning af met anderen en houdt rekening met gemaakte afspraken, beschikbare capaciteiten en onderlinge afhankelijkheden.

    Je volgt je planning op. Je stuurt je planning bij wanneer voortgang of omstandigheden veranderen, zodat het gezamenlijke doel haalbaar blijft. Je overlegt en licht toe waarom bijsturing nodig is en wat dit betekent voor het gezamenlijke werk.

    Niveau 3

    Plannen met relevante betrokkenen

    Je stelt vast wat de bedoeling is van het werk in het grotere geheel. Je vertaalt het gedeelde doel naar realistische werkzaamheden voor lange en korte termijn. Je vertaalt ook je persoonlijke doelen naar realistische werkzaamheden. Je houdt in het maken en aanpassen van de planning rekening met gemaakte afspraken, beschikbare capaciteiten en onderlinge afhankelijkheden.

    Je gebruikt de afgesproken werkmethodiek bij het maken van de planning. Je betrekt relevante betrokkenen bij het maken en aanpassen van de planning.

    Je volgt je planning op. Je herkent wanneer bestaande planningen niet langer passend zijn en maakt afgewogen keuzes om bij te sturen, ook als niet alle gevolgen vooraf duidelijk zijn.

    Niveau 4

    Plannen op professioneel en strategisch niveau

    Je vertaalt ambities, doelen en strategische keuzes naar realistische plannen. Je neemt de waarden en wensen van directe en indirecte betrokkenen mee. Je neemt ook je persoonlijke doelen mee.

    Je houdt in het maken en aanpassen van de planning rekening met randvoorwaarden vanuit de context. Je weegt belangen en capaciteiten af. Je neemt verantwoordelijkheid voor richting en samenhang van de planning. Je overziet de gevolgen en risico's van planningskeuzes.

    Je gebruikt de afgesproken werkmethodiek bij het maken van de planning.

    Je volgt je planning op. Je betrekt directe en indirect betrokkenen wanneer plannen moeten worden herzien, ook als uitkomsten onzeker zijn.

    Extra context Niveau 1

    Eigen werkzaamheden

    Met je squad maak je samen planningen, maar het is belangrijk om scherp te hebben wat jouw eigen werkzaamheden zijn. Denk hierbij aan je taken in Devops, persoonlijke learning stories, activiteiten die binnen of buiten de contactmomenten plaatsvinden, enz.

    De afgesproken werkmethodiek:

    Je werkt volgens het Open-ICT werk- en leerproces. Zie Canvas. Je zorgt dat je altijd weer een paar weken vooruit kan. Je draagt gezamenlijk zorg voor de product backlog en de sprint backlog. Je definieert en onderhoudt je eigen taken. Je zorgt iedere sprint voor voldoende eigen werk. Je zorgt voor een review van je werk voor afronding van de sprint.

    Voor je overige werk, zoals feedback vragen over vaardigheden en ontwikkeldoelen bereiken, is de keuze voor de methodiek aan jou; laat zien dat die methode werkt voor jou. Je ruimt tijd in voor feedback ophalen en verwerken, specifieke acties op ontwikkeldoelen, etc. Je zorgt dat privé-afspraken minimaal verstorend zijn.

    Goed gebruik maken van je capaciteiten houdt in: je werkt 36 uur per week aan school. Je levert iedere sprint een behoorlijke bijdrage aan het project, je bent alle dagen van de sprint hier mee bezig. Je gebruikt je talenten.

    Extra context Niveau 2

    De afgesproken werkmethodiek:

    Je werkt volgens het Open-ICT werk- en leerproces.

    Team: denk ook aan leerteam, gilde.

    Capaciteiten: kortweg wat jij en anderen kunnen in de tijd die ze hebben.

    Extra context Niveau 3

    Gedeeld doel: opdrachtgever, anderen...

    De afgesproken werkmethodiek:

    Het Open-ICT werk- en leerproces wanneer je Open Inno doet.

    Werkmethodiek van stage kan afwijken. Je blijft voor je leren de Open-ICT leermethode gebruiken.

    Boodschap delen


    Boodschap delen begint met het bepalen van het doel: wat wil je met je boodschap bereiken en bij wie? Vanuit dat doel maak je keuzes in inhoud, vorm en manier van communiceren.

    Boodschap delen gaat zowel over het overbrengen van een boodschap als over het reageren op hoe die boodschap wordt ontvangen. Je stemt af op anderen, gaat om met vragen en feedback en past je boodschap aan wanneer dat nodig is. Zo zorg je dat wat je overbrengt begrepen wordt en effect heeft.

    Bij boodschap delen wordt snel gedacht aan presenteren, maar er zijn ook andere manieren. Een boodschap kan bijvoorbeeld verteld, besproken, gemaild, gefilmd, geschreven, getekend of geanimeerd worden.

    Goed boodschap delen is essentieel voor professioneel handelen. Het maakt samenwerken mogelijk, helpt om ideeën en besluiten helder over te brengen en draagt bij aan begrip en draagvlak. Naarmate de context complexer wordt, vraagt boodschap delen meer afweging, meer bewustzijn van belangen en meer verantwoordelijkheid voor de impact van wat je zegt en laat zien.


    Niveau 1

    Begrepen worden

    Je bepaalt het doel van je boodschap.

    Je kiest een opbouw en middelen die de kern van je boodschap duidelijk overbrengen.

    Je zorgt dat je boodschap effectief aankomt bij je publiek.

    Je reageert passend op vragen en feedback over je boodschap en checkt of deze begrepen wordt.

    Niveau 2

    Afstemming bereiken

    Je bepaalt het doel van je boodschap en stemt deze af op de kennis en context van de doelgroep, onder andere in woordkeuze, middelen en taalgebruik.

    Je onderzoekt door te luisteren en door te vragen wat de ander weet, nodig heeft of verwacht, en hoe je boodschap wordt ontvangen.

    Je past je boodschap waar nodig aan op basis van reacties en ontvangen feedback.

    Je formuleert feedback op de boodschap van anderen zó dat deze begrijpelijk en bruikbaar is voor de ontvanger.

    Niveau 3

    Draagvlak vergroten

    Je formuleert en deelt je boodschap met het doel om betrokkenen te overtuigen en draagvlak te vergroten.

    Je houdt daarbij bewust rekening met de context en positie van de betrokkenen.

    Je maakt onderscheid tussen feiten en meningen en zet deze doelgericht in bij het overbrengen van je boodschap.

    Je kunt uitleggen hoe jouw manier van communiceren bijdraagt aan het creëren van begrip en draagvlak.

    Niveau 4

    Brede vertegenwoordiging

    Je bepaalt het doel van de boodschap in een brede en complexe context. Je houdt rekening met het effect ervan op directe en indirecte betrokkenen. Je draagt de boodschap op overtuigende en samenhangende wijze uit, ook wanneer deze niet direct aansluit bij je eigen visie.

    Je gebruikt feiten en meningen van anderen in de onderbouwing en maakt bewust keuzes in wat je wel en niet overbrengt.

    Je kunt uitleggen hoe jouw manier van communiceren bijdraagt aan het creëren van begrip en draagvlak en op welke manier deze recht doet aan verschillende perspectieven.

    Extra context Niveau 1

    Het doel van je boodschap kan bijvoorbeeld gaan om informeren, enthousiasmeren, activeren of overtuigen. Op basis hiervan kies je de opbouw en middelen die hier het beste bij aansluiten.

    Voor het effectief aankomen van een boodschap bij je publiek, denk je bij gesproken presentaties en besprekingen na over zaken zoals: verstaanbaarheid, intonatie, lichaamshouding.

    Bij documenten en digitale tools kun je denken over het gebruik van kopjes, inhoudsopgaven, leesbaarheid, kleurgebruik, etc.

    Passend op feedback en vragen reageren betekent dat je respectvol luistert, doorvraagt wanneer dit nuttig is, en aangeeft wat je met de feedback gaat doen.

    Extra context Niveau 2

    Het doel van je boodschap kan bijvoorbeeld gaan om informeren, enthousiasmeren, activeren of overtuigen. Op basis hiervan kies je de opbouw en middelen die hier het beste bij aansluiten.

    Kennis en context van de doelgroep: Bedenk dat een presentatie of document voor vakgenoten (je gildegenoten) anders zal moeten zijn dan voor squadgenoten. Hier is duidelijk sprake van dat verschil in kennis en context.

    Voor het effectief aankomen van een boodschap bij je publiek, denk je bij gesproken presentaties en besprekingen na over zaken zoals: verstaanbaarheid, intonatie, lichaamshouding. Bij documenten en digitale tools kun je denken over het gebruik van kopjes, inhoudsopgaven, leesbaarheid, kleurgebruik, etc.

    Passend op feedback en vragen reageren betekent dat je respectvol luistert, doorvraagt wanneer dit nuttig is, en aangeeft wat je met de feedback gaat doen.

    Samenwerken


    Samenwerken betekent dat je samen met anderen werkt aan een gezamenlijk doel, waarbij ieders bijdrage van invloed is op het resultaat. Dat vraagt dat je je eigen rol kent, afstemt met anderen en omgaat met verschillen, afhankelijkheden en spanningen die daarbij kunnen ontstaan. Samenwerken gaat niet alleen over meedoen, maar over bewust en professioneel handelen in relatie tot anderen.


    Niveau 1

    Bijdragen in een team

    Je werkt actief samen met direct betrokkenen in het team en komt gemaakte afspraken na. Je weet wat teamgenoten doen en hoe jouw werk daarop aansluit.

    Je communiceert met teamgenoten over voortgang en knelpunten in je eigen werk.

    Wanneer spanningen of misverstanden ontstaan die het samenwerken beïnvloeden, herken je deze en doe je mee in een gesprek hierover.

    Je helpt anderen waar nodig en geeft regelmatig concrete en bruikbare feedback. Je staat zelf ook open voor feedback.

    Je kunt benoemen wat de invloed is van jouw gedrag op de samenwerking.

    Niveau 2

    Samenwerken in het project

    Je werkt actief samen met direct betrokkenen binnen en buiten het team. Je zorgt dat betrokkenen weten waar jij aan werkt en hoe jouw werk aansluit op dat van anderen.

    Je hebt respect voor verschillen in werkwijzen en persoonlijke voorkeuren; samen kom je tot een werkbare oplossing.

    Wanneer spanningen of problemen het gezamenlijke werk beïnvloeden, benoem je deze en ga je erover in gesprek.

    Je geeft en ontvangt feedback om de samenwerking te versterken.

    Je kunt uitleggen hoe jouw keuzes in de samenwerking bijdragen aan het gezamenlijke resultaat.

    Niveau 3

    Samenwerken met oog voor context en betrokkenen

    Je werkt samen in een context waarin meerdere betrokkenen, belangen en perspectieven samenkomen. Je zorgt ervoor dat de belangen en waarden van direct en indirect betrokkenen worden meegenomen in de uitvoering van het werk.

    Je communiceert professioneel en past je rol en bijdrage aan op basis van de situatie en de betrokkenen.

    Je houdt bij de uitvoering van het werk rekening met verschillende belangen en waarden.

    Je maakt bewuste keuzes in hoe je samenwerkt en kunt uitleggen hoe deze keuzes het gezamenlijke werk en de samenwerking beïnvloeden.

    Wanneer de samenwerking onder druk staat, signaleer je dit en draag je bij aan het verbeteren ervan.

    Niveau 4

    Richtinggevend samenwerken

    Je bent in staat om strategische samenwerkingen aan te gaan of op te zetten in een context waarin meerdere betrokkenen, belangen en perspectieven samenkomen. Je zorgt ervoor dat direct en indirect betrokkenen en hun belangen en waarden van het begin af aan worden meegenomen in de uitvoering van het werk.

    Je communiceert professioneel en past je rol en bijdrage aan op basis van de situatie en de betrokkenen.

    Je maakt bewuste keuzes in hoe je samenwerkt en over wie je wanneer en op welke manier betrekt, rekening houdend met verschillende belangen en waarden. Je kunt uitleggen hoe deze keuzes het gezamenlijke werk en de samenwerking beïnvloeden**.**

    Je neemt verantwoordelijkheid voor het onderhouden en versterken van deze samenwerkingen en kunt reflecteren op de impact van jouw handelen in een professionele context.

    Extra context Niveau 1

    Direct betrokkenen in het team:

    Bij Open-ICT zijn dit je squadgenoten. Actief samenwerken met hen betekent dat je gesprekken voert over de werkzaamheden, waar zij mee bezig zijn en of wat jij doet dus relevant is voor het groepswerk.

    Spanningen of misverstanden gaan om alles waarbij jij anders in de wedstrijd staat dan de mensen om je heen.

    Openstaan voor feedback betekent dat je feedback oprecht ontvangt, en actief bepaalt of je er iets mee wil of van kan leren.

    Extra context Niveau 2

    Direct betrokkenen in het team

    Bij Open-ICT zijn dit je squadgenoten. Actief samenwerken met hen betekent dat je gesprekken voert over de werkzaamheden, waar zij mee bezig zijn en of wat jij doet dus relevant is voor het groepswerk.

    Direct betrokkenen buiten het team

    Dit zijn je opdrachtgever, je coach en je gildemeester.

    Spanningen of misverstanden gaan om alles waarbij jij anders in de wedstrijd staat dan de mensen om je heen.

    Openstaan voor feedback betekent dat je feedback oprecht ontvangt, en actief bepaalt of je er iets mee wil of van kan leren.

    Flexibel opstellen


    Bij flexibel opstellen horen aanpassingsvermogen, doorzettingsvermogen en meewerkend vermogen.

    Met de vaardigheid flexibel opstellen laat je zien hoe je omgaat met verandering en onverwachte situaties in je werk. Je past je handelen aan wanneer omstandigheden daarom vragen en blijft doelgericht werken, ook als plannen, opdrachten of verwachtingen wijzigen.

    Flexibel opstellen betekent dat je openstaat voor nieuwe informatie en perspectieven en bereid bent om je aanpak bij te stellen. Het gaat niet alleen om wat je doet, maar ook om hoe je denkt en reageert: je schakelt mee, blijft professioneel onder druk en maakt bewuste keuzes zonder je grenzen uit het oog te verliezen.


    Niveau 1

    Aanpassen aan je nieuwe omgeving

    Je past je aan naar wat er in de werkomgeving van je verwacht wordt. Je houdt je aan de gekozen werkwijze.

    Je toont doorzettingsvermogen bij ongemak, zodat je doelen weet te bereiken.

    Je stelt je meewerkend op bij lastige keuzes of onverwachte situaties. Je kunt je inleven in anderen en begrijpen waarom wijziging of verandering soms nodig is.

    Niveau 2

    Aanpassen binnen meerdere werkomgevingen

    Je past je aan naar wat er in meerdere werkomgevingen van je verwacht wordt. Je houdt je aan de gekozen werkwijze.

    Je toont doorzettingsvermogen bij ongemak, zodat je doelen weet te bereiken.

    Je stelt je meewerkend op bij lastige keuzes of onverwachte situaties. Je bent in staat om over aannames, vooroordelen, eigen gemakken en ideeën heen te stappen en/of deze ter discussie te stellen.

    Niveau 3

    Afwegen en aanpassen binnen een organisatie

    Je bent je bewust van de strategie en cultuur van de organisatie en stemt je werkwijze daarop af.

    Je toont doorzettingsvermogen bij ongemak, zodat je doelen weet te bereiken.

    Je kunt omgaan met concurrerende doelen en weegt af wanneer je meebeweegt en wanneer niet. Je bewaakt je eigen belangen en herkent dilemma's daarbij. Je bent in staat om over aannames, vooroordelen, eigen gemakken en ideeën heen te stappen en/of deze ter discussie te stellen.

    Niveau 4

    Afwegen en aanpassen binnen de sector

    Je bent je bewust van ontwikkelingen, strategieën en cultuur binnen de sector en stemt je werkwijze daarop af.

    Je toont doorzettingsvermogen bij ongemak, zodat je doelen weet te bereiken.

    Je kunt omgaan met concurrerende doelen en weegt af wanneer je meebeweegt en wanneer niet. Je bent in staat om bij te dragen aan aanpassingen van de strategie en deze bij te stellen op basis van conflicterende belangen vanuit direct en indirect betrokkenen.

    Je bewaakt je eigen belangen en herkent dilemma's daarbij. Je bent in staat om over aannames, vooroordelen, eigen gemakken en ideeën heen te stappen en/of deze ter discussie te stellen.

    Extra context Niveau 1

    Werkomgeving: bij Open-ICT is de opleiding de werkomgeving. Het gaat hierbij dus om je tribe en je squad.

    Gekozen werkwijze: bij Open-ICT is dit Open leer- en werkproces, verder gaat het bijvoorbeeld over teamafspraken, samenwerkingsovereenkomst.

    Ongemak: bijvoorbeeld als dingen anders gaan dan gepland, wanneer het schuurt bij gemaakte keuzes, je dingen moet doen waar je eigenlijk geen zin in hebt, etc.

    Extra context Niveau 2

    Meerdere werkomgevingen: de organisatie van je opdrachtgever is een werkomgeving. De opleiding is ook een werkomgeving, opleiding, denk aan een leerteam, tribe, squad en gilde.

    Extra context Niveau 4

    De sector:

    Het domein waarin de organisatie van je opdracht actief is.

    Pro-actief handelen


    Met de vaardigheid Pro-actief handelen laat je zien dat je zelf regie neemt over je handelen en je ontwikkeling. Je werkt doelgericht en kijkt vooruit door kansen en mogelijke problemen tijdig te herkennen.

    Pro-actief handelen betekent dat je bewust initiatief neemt, passend bij de situatie, zonder te wachten op aanwijzingen. Je maakt keuzes, stelt prioriteiten en kunt uitleggen waarom je handelt zoals je doet. Het gaat daarbij niet om zoveel mogelijk doen, maar om afgewogen handelen met effect.

    Pro-actief handelen begint bij je eigen werk en ontwikkeling en kan zich uitbreiden naar je bijdrage aan het team, de organisatie en de bredere context waarin je werkt.


    Niveau 1

    Eigen initiatief in het eigen werk

    Je ziet kansen of problemen aankomen die gaan over je eigen ontwikkeling. Je zorgt dat je voldoende uitgedaagd wordt.

    Je ziet kansen of problemen aankomen die gaan over je werk.

    Je onderneemt actie zonder te wachten op aanwijzingen.

    Je kunt uitleggen waarom je acties passend waren en je laat zien wat het effect ervan was.

    Niveau 2

    Initiatief nemen binnen samenwerking

    Je ziet kansen of problemen aankomen die gaan over je eigen ontwikkeling. Je zorgt dat je voldoende uitgedaagd wordt.

    Je ziet kansen of problemen aankomen die het gezamenlijke werk beïnvloeden.

    Je onderneemt uit jezelf actie die past bij de afspraken en doelen van de samenwerking. Je zorgt voor afstemming met anderen.

    Je kunt uitleggen waarom deze keuzes passend waren en wat het effect was voor jezelf en de betrokkenen.

    Niveau 3

    Pro-actief handelen in complexe situaties

    Je ziet kansen of problemen aankomen die gaan over je eigen ontwikkeling. Je zorgt dat je voldoende uitgedaagd wordt.

    Je ziet kansen of problemen aankomen die het gezamenlijke werk beïnvloeden. Je herkent dat meerdere factoren, belangen of onzekerheden in de situatie een rol spelen.

    Je activeert direct betrokkenen om kansen te benutten en problemen aan te pakken.

    Je onderneemt uit jezelf actie zonder te wachten tot de situatie volledig duidelijk is, binnen de afspraken en doelen van de samenwerking. Je zorgt voor afstemming met anderen.

    Je laat zien dat jouw initiatief bijdraagt aan voortgang of ontwikkeling in de situatie.

    Niveau 4

    Organisatorische en maatschappelijke ontwikkeling

    Je ziet kansen of problemen aankomen voor je eigen ontwikkeling. Je zorgt dat je zelf voldoende uitgedaagd wordt.

    Je ziet kansen of problemen aankomen die het gezamenlijke werk beïnvloeden. Je herkent dat meerdere factoren, belangen of onzekerheden in de situatie een rol spelen.

    Je activeert direct en indirect betrokkenen om kansen te benutten en problemen aan te pakken. Je neemt daarin initiatief en verantwoordelijkheid.

    Je onderneemt uit jezelf actie die past bij de afspraken en doelen van de samenwerking, met oog voor de bredere professionele context waarin je werkt.

    Je laat zien dat je handelt met het doel om beweging, ontwikkeling of verbetering op gang te brengen, ook wanneer het effect daarvan pas op de lange termijn zichtbaar zal worden.

    Extra context Niveau 1

    Voldoende uitdaging: je ziet kansen in de leerzone, dus niet comfortzone of paniekzone.

    Eigen ontwikkeling gaat over je vaardigheden, je beroepsrol en jij als ICT-professional.

    Je werk gaat over het verder kijken dan je taak. Denk hierbij aan je planningen, ...

    Passend betekent dat jouw acties adequaat en aansluitend zijn bij de situatie.

    Reflecteren


    Reflecteren gaat over bewust terugkijken op je handelen, de keuzes die je maakt en het effect daarvan. Je onderzoekt wat je hebt gedaan, waarom je dat zo hebt gedaan en wat dit betekent voor je verdere ontwikkeling.

    Reflecteren betekent dat je verder kijkt dan wat er gebeurde. Je staat stil bij onderliggende aannames en overtuigingen en bepaalt op basis daarvan wat je hiervan leert en hoe je je handelen kunt verbeteren. Door ervaringen en feedback te benutten, stel je je handelen gericht bij.

    Naarmate je verder komt, kijk je niet alleen naar je eigen handelen, maar ook naar hoe dit samenhangt met samenwerking, bredere doelen en de context waarin je werkt.


    Niveau 1

    Kijken naar eigen handelen

    Je kijkt terug op wat goed ging en wat beter kan in je werk en functioneren. Je licht toe welke rol je daarin zelf hebt gespeeld. Je haalt feedback op over je uitgevoerde werk en je functioneren. Je stelt op basis hiervan actiepunten op en voert deze uit.

    Je herkent overeenkomsten en verschillen tussen jouw gedrag en verwachtingen en die van anderen met wie je samenwerkt. Je maakt dit zichtbaar in je reflectie.

    Je formuleert ontwikkeldoelen en gaat hiermee aan de slag.

    Niveau 2

    Leren van aanpak en keuzes

    Je kijkt terug op wat goed ging en wat beter kan in je werk en functioneren. Je licht toe welke rol je daarin zelf hebt gespeeld. Je haalt feedback op over je uitgevoerde werk en je functioneren. Je stelt op basis hiervan actiepunten op en voert deze uit.

    Je kijkt terug op eerdere reflecties en onderzoekt wat de effecten waren van de acties die je toen hebt ondernomen.

    Je herkent hoe perspectieven en gedrag van jou en anderen invloed hebben op het functioneren van het team. Je maakt dit zichtbaar in je reflectie.

    Je onderzoekt welke waarden voor jou belangrijk zijn en herkent hoe deze invloed hebben op je keuzes en handelen.

    Je formuleert ontwikkeldoelen en gaat hiermee aan de slag.

    Niveau 3

    Doorgronden van onderliggende aannames

    Je kijkt terug op wat goed ging en wat beter kan in je werk en functioneren. Je licht toe welke rol je daarin zelf hebt gespeeld. Je haalt feedback op over je uitgevoerde werk en je functioneren. Je stelt op basis hiervan actiepunten op en voert deze uit.

    Je onderzoekt de dieperliggende oorzaken achter zowel positieve als negatieve aspecten van je eigen gedrag en handelen. Je betrekt daarbij hoe jouw handelen en dat van anderen samenhangen met het functioneren van jezelf en het team. Je maakt dit zichtbaar in je reflectie.

    Je gebruikt je waarden bewust bij het maken van keuzes en betrekt deze in je handelen.

    Je formuleert ontwikkeldoelen en gaat hiermee aan de slag.

    Niveau 4

    Positioneren van professioneel handelen

    Je kijkt terug op wat goed ging en wat beter kan in je werk en functioneren. Je licht toe welke rol je daarin zelf hebt gespeeld. Je haalt feedback op over je uitgevoerde werk en je functioneren. Je stelt op basis hiervan actiepunten op en voert deze uit.

    Je onderzoekt de dieperliggende oorzaken achter zowel positieve als negatieve aspecten van je eigen gedrag en handelen. Je kijkt terug op hoe jij en het team hebben bijgedragen aan bredere doelen en strategische keuzes.

    Je onderzoekt hoe jouw handelen, dat van anderen en ontwikkelingen in de omgeving invloed hebben op het functioneren van jezelf en het team. Je maakt dit zichtbaar in je reflectie.

    Je gebruikt je waarden bewust bij het maken van keuzes en betrekt deze in je handelen.

    Je formuleert ontwikkeldoelen en gaat hiermee aan de slag.

    Extra context Niveau 1

    Kijken naar jouw aandeel betekent dat je niet enkel kijkt naar het gedrag of acties van anderen, maar juist naar hoe jij impact hebt (gehad) op een situatie.

    Actiepunten

    Concrete acties die je op korte termijn uit gaat voeren.

    Ontwikkeldoelen zijn jouw persoonlijke, uitdagende doelen die over een langere periode je vaardigheden of gedrag kunnen versterken.

    Extra context Niveau 2

    Kijken naar jouw aandeel betekent dat je niet enkel kijkt naar het gedrag of acties van anderen, maar juist naar hoe jij impact hebt (gehad) op een situatie.

    Actiepunten zijn concrete acties die je op korte termijn uit gaat voeren.

    Ontwikkeldoelen zijn jouw persoonlijke, uitdagende doelen die over een langere periode je vaardigheden of gedrag kunnen versterken.

    Tip: je mag het uiteraard (met reden) oneens zijn met verkregen feedback, of je eigen eerdere actiepunten of ontwikkeldoelen.